Blog

Ommetjes maken

“Mooi gezegd: Je bedrijft stedenbouw ‘by walking around’. Recent las ik in de NRC een artikel van filosoof Pieter Hoexum. Hij beschrijft hoe je bijdraagt aan je omgeving door er rond te lopen. Een variant van de ‘Gemba-wandeling’ oftewel ‘management by wandering around’. Het zou steden verbeteren…

… als de ontwerpers ervan dit vaker en bewuster zouden doen.”

Nieuwe inzichten

Pim: “Hoexum start zijn werkdagen graag met een ommetje in de buurt. En soms tussendoor nog een; als hij vast loopt. Dat tweede doe ik ook al jaren; als het me nog even niet lukt de puzzelstukjes van een gebouwontwerp in elkaar te laten vallen. Steevast heb ik na de wandeling een nieuw inzicht dat me vooruit helpt. Ben ik in de stad, dan volg ik meestal de bedachte, verharde paden. Alhoewel, schuin oversteken en een stukje over het gras in de middenberm lopen – in plaats van 15 meter verderop over het zebrapad – gebeurt ook regelmatig. “Wandelend maak je de buurt” zegt Hoexum hierover. En zo is het.

Leren

We denken als gemeenten, stedenbouwkundigen, ontwikkelaars, woningcorporaties, makelaars en architecten dat wij weten wat het beste ontwerp is voor een stad of plek. We bepalen daarmee het gebruik door en het gedrag van de eindgebruikers; de mensen die er wonen, spelen, wandelen, fietsen, rijden. In het artikel van Hoexum wordt de quote van Sir Winston Churchill aangehaald die wij ook vaak gebruiken: ‘We shape our buildings, thereafter they shape us.’ Die quote klopt, alleen gaan we hier nogal eens te hooghartig mee om. Of ons ‘juiste ontwerp’ ook een prettige impact heeft op het leven van die mensen, daar wordt nog te vaak te weinig bij stilgestaan.

"We shape our buildings, thereafter they shape us."

SIR WINSTON CHURCHILL

Voortent

Ik heb in mijn jaren als architect regelmatig (eerst best wel onbewust, later veel bewuster) elementen in mijn ontwerpen verwerkt die het leven erin en eromheen net wat leuker maken. Elementen die je een beetje naar je hand kunt zetten. Ze zorgen dat je je huis lekkerder kunt gebruiken; een veranda aan de straat, een keukenraam met diepe nis waar je in kunt zitten, stoepje met ruimte voor een bankje en een plantenbak. Je ‘voortent’ noem ik die plekken regelmatig, waarna het publiek van de lezing of workshop glimlachend en begrijpend reageert. Het zijn de plekken waar je even je buren groet, waar je kinderen kunnen rondhangen terwijl ze kletsen met de buurkinderen, waar je binding krijgt met je buurt. En sinds ik kennismaakte met het vakgebied Omgevingspsychologie ben ik het nog bewuster gaan toepassen.

Tijdens die opleiding kregen we een mooie opdracht; ga eens binnen in een gebouw of sta stil op een plek in een stad en bekijk hoe het daadwerkelijk gebruikt wordt in relatie tot hoe het is bedacht. Welke verschillen zie je? Hoe maken mensen het zich eigen? Welke ontwerpelementen die leuk zijn bedacht werken in de praktijk niet? Wat is het werkelijke gebruik? Wat kun je hier van leren?

"Het zou goed zijn als we meer aRCHITECTUUR en sTEDENBOUW zouden bedrijven."

PIM VAN DER VEN | JULI ONTWERP & JULI ADVIES

Gebruiksbetekenis

Een prachtige manier om dit werkelijke gebruik aansprekend weer te geven, kun je zien in de ‘Zachte Atlassen’ van kunstenaar Jan Rothuizen. Hij is, zoals Hoexum het noemt, ‘een ware meester in het opsporen en weergeven van de ‘gebruiksbetekenis’ van een ruimte.’ Ik kende de tekeningen nog niet, maar ben direct fan. Hoexum: “Rothuizen schetst bijvoorbeeld in grote, zeer gedetailleerde tekeningen niet allen min of meer objectief een plek, maar maakt ook aantekeningen waaruit blijkt hoe bewoners en gebruikers die omgeving ervaren en wat voor (subjectieve) betekenis die voor hen heeft.” Rothuizen noemt die tekeningen ‘zachte atlassen’, naar het boek Soft City van Jonathan Raban, omdat het niet alleen gaat over de ‘harde gebouwen’ maar juist over er aankomen, je settelen, gebruiken en je eigen maken van de stad door weer sporen achter te laten.

aRCHITECTUUR en sTEDENBOUW

Het zou zo goed zijn voor de leefbaarheid van steden als we vaker zo’n ommetje maken en observeren hoe die stad werkelijk wordt gebruikt, hoe mensen zich er gedragen. Of rondlopen bij onze eigen gerealiseerde projecten. Onszelf vaker afvragen: wat maakt een stad, een wijk, een buurtje, een huis fijner voor de mensen die erin rondlopen en wonen? En liever nog: die mensen zelf deze vragen stellen. Om zo onze kennis over werkelijk gebruik net zo groot te maken als onze kennis over bedacht gebruik. En ons ego meer los te laten; niet zo nodig onze stempel willen drukken door architectuur met een A of stedenbouw met een S te willen bedrijven, maar plekken te helpen creëren waar fijn geleefd kan worden, waar ontspannen kan worden, verbinding gevonden, stress verlaagd. Waar het fijn is een ommetje te maken. Een buurtje dat je je meer eigen kunt maken door het net een beetje naar je hand te zetten. En natuurlijk maken we zo’n buurtje graag mooi, want mooi is nu eenmaal leuker dan lelijk. Mooi maakt trots. En daarmee gelukkiger. Maar het gaat om de gebruiker, niet om de Architect of zijn statement.”